Terug naar de startpagina
Octrooi en Monopolie 
  • Octrooi werd in 1602 door de regering van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden aan de VOC verleend met uitsluitend recht om handel te drijven ten oosten van Kaap de Goede Hoop en ten westen van de Straat Magallaan (Magalhaes). Dit octrooi beschermde de VOC alleen tegen andere handelaren uit de eigen Republiek. Het octrooi werd telkenmale verlengd tot aan het eind van het bestaan in 1799. Zie ook: VOC-Oprichting en VOC-Octrooi.
  • Monopolie trachtte de VOC te verkrijgen door lokale, andere Aziatische en ook niet-Nederlandse Europeanen goedschiks of kwaadschiks aan zich ondergeschikt te maken of te uit te schakelen, om zo economisch het alleenrecht te bemachtigen op bepaalde producten, waardoor de VOC de prijzen van inkoop en verkoop zelf kon bepalen. 

Samenvattend zou men kunnen zeggen: een octrooi is een verkregen recht binnen een rechtsgebied (de Republiek), een monopolie een verworven recht.

Oeloes, een volkstam in het zuidelijk Batak-gebied op Sumatra. Hun afkomst is onduidelijk, maar zeker niet Batak. Hun taal is een dialect van het Kerintji.

Zie ook: Bevolkingsgroepen

Olie-faculteit 1925 Door het Indische bedrijfsleven gefinancierde opleiding tot koloniaal bestuursambtenaar in Utrecht, en deze was meer rechts georiŽnteerd dan de Universiteit van Leiden.

Oligarchie een situatie waarbij een vrij kleine groep, behorende tot de hoogste stand en klasse, elkaar de beste banen bezorgt, waardoor iemand die niet tot deze groep behoort niet de kans krijgt in aanmerking te komen voor hoge functies. Deze situatie deed zich in IndiŽ vooral in de 18e eeuw voor, waarbij men wel zorgde dat door huwelijkspolitiek die groep niet echt groter kon worden, omdat anders wellicht het kapitaal kon wegvloeien. 

Zie ook: Nepotisme.

Ommelanden, het gebied direct om het oude Batavia. Het werd o.a. bewoond door etnische hulptroepen van de VOC en door Chinezen die in de stad geen plaats konden krijgen. Buiten de kampongs werd het gebied gebruikt als landbouwgrond, vol met tuinen en tuintjes. 

Lange tijd waren de Ommelanden onveilig:

  • de oorlogen met Mataram, en Banten
  • roofdieren, zoals de tijgers
  • roofbendes.

Pas na de Tweede Bantense oorlog (1656-1659) ontstond er een redelijke veiligheid. 

De landbezitters van de Ommelanden waren veelal christenen, zoals Meester Cornelis

Omslag Amerikaans denken; september '48 drukt de Republiek een communistische opstand de kop in in Madioen, wat door de U.S.A van groot belang werd gevonden vanwege de start van de Koude Oorlog, waardoor de Nederlandse politieke positie verzwakte.

Onafhankelijkheidsverklaring 17 augustus 1945

Zie ook: Proclamatie.

Onderwijs

Lager Onderwijs

  • vanaf 1892: Eerste Klasse-scholen, met 5-jarige cursus, voor de Javaanse elite (werd later HIS)
  • vanaf 1892: Tweede Klasse-scholen, niet voor de Javaanse elite
  • 1907: Volksscholen (zie Desa-scholen)
  • 1908 HCS = Hollandsch-Chinese School
  • 1914 HIS = Hollandsch-Indische School, voor de hogere klassen bestemd

Middelbaar Onderwijs

  • 1914 MULO, als vervolgopleiding van de HIS
  • 1919 AMS = Algemene Middelbare School
  • HBS: te Batavia (1867), Bandoeng, Semarang, Soerabaja

Hoger Onderwijs

  • 1920 Technische Hogeschool te Bandoeng
  • 1924 Rechtshogeschool in Batavia (opvolger van de rechtsschool van 1909)
  • 1927 STOVIA werd tot Geneeskundige Hogeschool
  • 1940 Faculteit der Letteren en Wijsbegeerte, Batavia
  • 1941 Landbouwkundige Faculteit te Buitenzorg
Onrust eilandje van ca. 9 ha in de Baai van Batavia, op een afstand van ca. 14 km ten noordwesten van deze stad. Het is genoemd naar een zandplaat bij Texel. Omdat de haven van Batavia te ondiep werd door het dichtslibben van de rivier de Tjiliwung, week men uit naar Onrust.

 

 De eilanden Onrust, boven, en Kuiper        Vanaf de andere zijde

Het eiland heeft een opvallende geschiedenis:

  • Onrust wordt in 1614 voor het eerst genoemd als plek van onderhoud
  • in de VOC-periode was er vanaf 1618 een onderhoudsscheepstimmerwerf en een tuighuis (wapenhuis) gevestigd. De vele gereedschappen waren aangevoerd vanuit het Zeemagazijn op de grote VOC-werf op het eiland Oostenburg in Amsterdam
  • in 1659 en 1685 kwamen er pakhuizen voor rijst, in 1692 voor salpeter, in 1699 voor hout en munitie en vanaf 1700 ook voor kruidnagels en nootmuskaat; rond 1770 waren er 10 tot 12 grote pakhuizen
  • in 1675 kwam er een zaagmolen op Kuiper
  • in de 18e eeuw werkten op Onrust ca. 200 Europeanen: 70% als scheepstimmerman en bij aanverwante activiteiten, 15% metaalarbeider, en de overige 15% bij de administratie, verzorgende beroepen, ordebewaking, militairen en zeevarenden. Het aantal slaven liep op tot driekeer het aantal Europeanen
  • verantwoordelijk voor de technische staat van de schepen was de "Baas van Onrust". hij was altijd een meester-scheepstimmerman met ervaring in de tropen. Onrust kende 27 Bazen in de periode 1656-1807. Boven hem stond de equipagemeester in Batavia
  • 1770 komt James Cook langs met zijn 'Endeavour' voor reparatie
  • in 1806 vernielde een Engels eskader alle gebouwen.
  • 1811 zijn de Britten opnieuw aanwezig, onder Raffles
  • In de jaren 1823-1825 werden de gebouwen hersteld, en werd het een maritiem etablissement, een functie die later werd overgenomen door Soerabaja.
  • Na opening van de haven van Tandjoeng Priok in 1886 verdwenen de laatste scheepvaartactiviteiten
  • Vanaf 1911 werd het samen met het eilandje Kuiper gebruikt als
    • een quarantainegebied voor terugkerende pelgrims uit Mekka.
    • een gevangenen- en interneringseiland voor:
      • deelnemers muiterij Zeven ProvinciŽn (1933)
      • Indische NSB'ers en Duitsers (1940)
      • 1946 onder Britse leiding: Duitse marinemannen, Indonesische peloppers, Duitse vrouwen
      • 1947 IndiŽ-weigeraars en lichtgestrafte Nederlandse militairen; behandeling Nederlandse geesteszieke militairen en (bij gerucht) Nederlandse lijders aan geslachtsziekten
      • Japanse oorlogsmisdadigers (1949)
      • na december 1949: APRA-leden (volgelingen van Westerling-1950), ongewenste Chinezen, politieke gevangenen, zware criminelen.
    • een oefenterrein (1960-1962) voor de beoogde landingen op Nieuw-Guinea.
    • vanaf 2002-2003 gevangenplek voor islamitische extremisten / terroristen

     

Onrust in 1699

Vanaf 1971 is archeologisch onderzoek gestart; een jaar later werden Onrust, Purmerend en Kuiper beschermde historische monumenten, maar er is weinig geld voor restauratie en onderhoud. In 1989 vormde zich een werkgroep 'VOC-Oostenburg en Onrust' met Indonesische en Nederlandse onderzoekers.

Ontginningsordonnantie 1874
Deze regeling moest de roofbouw en ontwouding tegengaan:
- Inheemsen mochten zonder toestemming geen woeste gronden ontginnen
- als er gevaar was voor het wegspoelen van vruchtbare grond op hellend terrein was de boer verplicht tot het aanleggen van terrassen.

Ontheiliging als een kraton (paleis) van een vorst werd verwoest/geplunderd door een vijand was deze plek ontheiligd, en moest een nieuwe kraton elders worden gebouwd.

Onthoudingspolitiek Tijdens de periode van het Cultuurstelsel waren de Buitengewesten niet interessant: deze waren verliesgevend, en zouden bovendien de militaire krachten versnipperen, daarom concentratie van de bestedingen op Java en Madoera.

Ontvoogding Na 1918 zouden op Java de Controleurs uit het binnenland worden teruggetrokken en vervangen worden door inheemse ambtenaren. Ook de assistent-resident had geen eigen bevoegdheden meer. In 1931 werd deze ontwikkeling deels weer teruggedraaid: met de "Taakverdeling" kreeg de assistent-resident de rol van adviseur van de regent.

Oorlogsmisdaden-onderzoek '45-'49 In de 50- en 60-er jaren van de 20e eeuw was er geen belangstelling, een uitzondering daargelaten, voor de eventuele misdragingen van militairen van Nederlandse zijde in IndonesiŽ. Nederland was in opbouw na de Tweede Wereldoorlog en de aandacht voor de gebeurtenissen in Nederlands-IndiŽ / IndonesiŽ had bepaald geen prioriteit, niet vanuit de wetenschappelijke hoek, noch vanuit de politiek of in de media.

Na zoveel jaren van grotendeels zwijgen sloegen de verhalen van Joop Hueting als IndiŽ-veteraan, tijdens een uitzending van de nieuwsrubriek 'Achter het Nieuws' van de VARA in januari 1969, in als een bom! Vele honderden brieven werden hierop geschreven door andere IndiŽ-veteranen die vertelden over gebeurtenissen die ze zelf gezien hadden of waaraan ze zelf hadden meegedaan.

Hierop kwam de regering De Jong nog in 1969 met de Excessennota waarin wel gesproken werd over 110 gevallen van excessen, maar van systematische wreedheden was geen sprake geweest. De commissie die de Excessennota had samengesteld had haar conclusie getrokken na onderzoek van alle officiŽle geschreven stukken, maar was voorbijgegaan aan de 885 getuigenissen die na de uitzending van de VARA naar voren waren gekomen.

In 1970 publiceerden Van Doorn en Hendrix hun boek 'Ontsporing van Geweld'. Zij trachtten op een zakelijke en neutrale manier inzicht te verschaffen in een proces waarbij het tot geweldsexcessen kan komen,  zonder daarbij namen te noemen. Wel werd gewezen op de rol van de autoriteiten in deze.

In 1984 kwam W. IJzereef met het boek 'De Zuid-Celebes-affaire'. Hierin worden wel man en paard genoemd, maar het boek is op neutrale toon geschreven, en spreekt ook over excessen en niet over oorlogsmisdaden. Wel wordt de rol van Westerling hierin ontkracht.

In 1987 volgt opnieuw grote commotie: Dr. L. de Jong is bezig met het twaalfde deel van 'Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog'. In het concept rept hij op felle toon over de oorlogsmisdaden door de Nederlanders in IndiŽ begaan. Eťn van de mee-lezers van het concept is KNIL-kolonel b.d. C.A. Heshusius, die de ontwerptekst doorlekt naar het dagblad "De Telegraaf". Een ware hetze tegen De Jong is het resultaat, die daarna zijn tekst herschrijft, en het begrip oorlogsmisdaden vervangt met de term 'excessen'. 

In Nederland is er nooit een groot en uitgebreid onderzoek van de grond gekomen. Nu, in de 21e eeuw, is het daarvoor ook te laat, omdat vele ooggetuigen reeds zijn overleden. Andere redenen zijn:

  • weerstand van de IndiŽ-veteranen: zij deden wat hun was opgedragen: de schuld lag dus ook hoger in de machtsstructuur: militair Ťn politiek
  • de Nederlandse overheid was bang de prille relatie met president Soeharto eind 60-er jaren te verstoren
  • het hele item bleef toch in de taboesfeer

In IndonesiŽ was er ook weinig belangstelling voor een dergelijk groot onderzoek (Dr. L. de Jong ervoer dit zelf in IndonesiŽ):

  • hun eigen guerrillatactiek had veel slachtoffers geŽist onder de eigen bevolking
  • IndonesiŽ was toch de uiteindelijke winnaar
  • IndonesiŽ heeft / had als arm land wel andere zorgen aan het hoofd
  • bij de slachting op grote schaal in 1965 na de generaalscoup was het aantal slachtoffers vele malen groter.

Uiteindelijk hebben in Nederland alle incidenten vanaf 1969 geleid tot een herwaardering van de IndiŽ-veteraan, en kwam er materiŽle en immateriŽle erkenning van deze groep.

Zie ook bij: Poncke Princen

Oostenburg is een kunstmatig eiland ten oosten van het 17e eeuwse Amsterdam. Het hele complex is gebouwd tussen 1640 en 1670 en bestond uit drie eilanden met een complex van grachten en kanalen. Het eiland Kattenburg was bestemd voor de Admiraliteit, op Wittenburg bevonden zich particuliere werven en Oostenburg was de grootste VOC-Scheepswerf. De Amsterdamse Kamer van de VOC bouwde hier ca. 500 schepen met een gemiddelde jaarproductie van drie en rond 1750 zelfs vijf. Rond hetzelfde jaar betrok de werf met zijn drie hellingen materiaal van zo'n 600 leveranciers, werkten er ca. 80 functionarissen en ca. 1100 werklieden.

Na de VOC-periode maakte de marine er gebruik van tot 1820 en kwamen er later grote bedrijven zoals Werkspoor en Stork.

Oosterkwartier Het gebied ten oosten van Malakka, waar de VOC handel dreef en zijn vestigingen had (zoals China, Formosa, Japan), noemde men het oosterkwartier

Zie verder: VOC-vestigingen

En ook: Westerkwartier

Oostindisch Huis Elke VOC-Kamer had een eigen pand om de zaken te organiseren; zo was er meestal vergaderruimte, kantoorruimte voor boekhouders en klerken, opslagruimte voor VOC-goederen, een slachterij, een veilinglokaal, en het was de plek waar schepelingen konden aanmonsteren.
  • VOC-Amsterdam huurde in 1603 een deel van het Bushuis op de hoek van de Kloveniersburgwal en de Oude Hoogstraat. In 1606 werd besloten om naast het Bushuis een nieuw gebouw neer te zetten. In 1633 werd de westvleugel verlengd tot aan de Oude Hoogstraat; tevens kwam aan de Oude Hoogstraat tussen 1658 en 1661 nog een noordvleugel. In 1722 kocht de Kamer het complex van het stadsbestuur. Niet alleen de bewindhebbers, maar ook de Heeren XVII vergaderden op dit adres. De VOC is op deze locatie gebleven tot aan haar opheffing. Na de sloop van het bovengenoemde Bushuis werd in 1891 een nieuwe oostgevel aan de binnenplaats gemaakt. Tegenwoordig maakt het complex deel uit  van de Universiteit van Amsterdam.

A'dam

A'dam

  • VOC-Rotterdam had (waarschijnlijk) zijn eerste stek in de vroegere Vischsteeg, eerder Oost-Indische steeg. In 1623 kocht de Kamer een erf met een huis en een pakhuis, aan de zuidzijde van de Wijnstraat. In 1659 en 1664 werden panden in de omgeving aangekocht voor de uitbreiding van de pakhuizen. In 1694 werd besloten tot nieuwbouw voor het Oostindisch Huis, op het terrein tussen de Boompjes en de Scheepmakershaven. In 1699 werd kwam dit Huis gereed, waarna in 1709 en 1720 nog uitbreidingen volgden. Het Oostindisch Huis werd op 14 mei 1940 verwoest.

de Boompjes

  • VOC-Delft vergaderde aanvankelijk bij de bewindhebbers thuis of op het stadhuis. Pas in 1631 werden twee huizen aan de Oude Delft (gracht) aangekocht en ingrijpend verbouwd tot Oostindisch Huis. In 1722 werd het voor een deel vernieuwd en uitgebreid, o.a. met een grote vergaderzaal (nu VOC-zaal geheten) voor de bewindhebbers.

Oude Delft

  • VOC-Zeeland (Middelburg) huurde tot 1628 kantoorruimte. Toen werd het huis Biggekercke in Middelburg aangekocht, gelegen tussen de Rotterdamse Kaai en de Breestraat; daarachter werd in 1630 een nieuwe vleugel gebouwd met een grote bewindhebberskamer. In 1693 werd een buurpand toegevoegd. Op 17 mei 1940 ging het complex in vlammen op.

 

  • VOC-Hoorn vergaderde aanvankelijk in een pand aan de Nieuwstraat. Na 1665 betrok het zijn nog bestaande Oostindisch Huis aan de Muntstraat, dat heden nog wordt gebruikt als woon- en werkruimte voor beeldend kunstenaars.

Hoorn

  • VOC-Enkhuizen had vlot na de oprichting van de VOC de beschikking over de Engelse Toren aan de Oosterhaven. In 1630 werd een nieuw Oostindisch Huis betrokken aan de Wierdijk. In 1816 brandde dit pand volledig af.

Oost-IndiŽ

  • VOC-periode 1602-1799: gebied van de Nederlandse vestigingen ten oosten van Kaap de Goede Hoop.
  • In de 19e en 20e eeuw de naam van de Nederlandse koloniŽn in de Indische archipel

Oost-Java

Oost-Moesson deze waait op Java uit het oosten van eind mei tot eind oktober, en is de 'droge tijd'. Zie ook West-Moesson.

Oost-Timor: zie Timor

Operatie Kraai = 2e Politionele Actie 19 dec '48 Ė 5 januari '49

Operatie Product=1e Politionele Actie 20/21 juli-5 aug. '47. Acties in Sumatra: Zuid-, en Deli; op Java werd gebied Batavia-Semarang, en Oost-Java plus een deel van Madoera bezet. Op sterke aandrang van de VN Veiligheidsraad werd de actie gestopt.

Operation Pounce 27-12-1945 Ontwapening van Batavia en directe omgeving door de Britten, vanwege de chaotische en levensbedreigende situatie, alsmede om onderhandelingen tussen de Nederlanders en de IndonesiŽrs mogelijk te maken.

Zie ook: Bersiap.

Opheffer. In het algemeen bedoeld: degene die de Indische bevolking op een hoger niveau wil brengen, uitgaande van de Ethische Politiek. "Opheffer" is het pseudoniem van G.L.Gonggrijp, resident van Rembang, die vele artikelen schreef in o.a. "Het Bataviaasch Handelsblad" en het "Koloniaal Tijdschrift"

Opium-regie

Al voor de komst van de Europeanen werd in zuidoost AziŽ gehandeld in opium. In VOC-beschrijvingen wordt opium vrijwel meteen genoemd en wordt aangegeven dat op de Molukken en de Banda-eilanden opium wordt gebruikt door de bevolking. 

  • VOC: in 1659 begon de VOC ruwe opium te kopen in Bengalen (Patna) en verwierf nog in dezelfde eeuw het monopolie op de invoer van opium voor een groot deel van Java. Vanuit Batavia ging een klein deel als medicament naar Europa; een deel ging naar de Molukken en Banda, doch het merendeel werd verkocht aan Chinezen: zij voeren ermee naar China of verkochten het aan het groeiend aantal gebruikers op Java. 
  • In 1745 werd de "SociŽteyt van den Amphioen Handel" opgericht als VOC-dochter.  Om de morshandel door VOC-dienaren te weren konden dezen zelf aandelen kopen. De sociŽteit  kreeg een octrooi voor de kleinhandel. In 1747 was er een kort experiment om de bereiding en kleine verkoop aan Chinezen te verpachten. Vanaf 1759 hadden de Nederlanders geen toegang meer tot de opiumveilingen in Bihar en Bengalen, dankzij de Engelsen, waardoor opium steeds meer buiten de VOC om naar Batavia kwam. De SociŽteit staakte in 1795 haar activiteiten. 
  • 1795 kwamen handel en organisatie weer terug bij de VOC / Staat, en in handen van de Amfioen-Directie. 
  • 1808 schafte Daendels de Amfioen-Directie af, en ging over tot het verpachten van opiumkitten. Raffles liet toe dat behalve Batavia, ook Semarang en Soerabaja invoerhavens werden van opium.
  • 1821 komt er een nieuw pachtreglement: nog steeds mocht iedereen opium in het groot aanvoeren, verkopen en kopen, mits na betaling van de invoerrechten; bovendien behielden pachters de verkoop in het klein. Het grote verschil was echter dat de overheid haar bemoeienis met de kleinhandel vergrootte en verder reglementeerde. 
  • In 1827 kreeg de Nederlandse Handelmaatschappij van Koning Willem I het opiumcontract voor Java en Madoera, waarbij de opium in Turkije (Smyrna) werd gekocht en in Nederland verpakt; vanaf 1844 ging het rechtstreeks van Smyrna naar Batavia; het monopolie betrof nu ook de verkoop aan kleinverbruikers via onderpachters.
  • 1833 gaat het hele opiumgebeuren terug naar de Indische regering
  • 1894 werd een start gemaakt met de opium-regie op Madoera: het in eigen beheer hebben van de bereiding, de verpakking tot aan de verkoop aan de kleingebruiker. De opium uit Smyrna ging weer eerst naar Nederland, die uit Calcutta (Bengalen) rechtstreeks naar Batavia. De eerste opiumfabriek (1894) kwam op het landgoed Struiswijk te Meester Cornelis, Batavia; een grotere kwam in 1901 in Weltevreden In 1904 was de regie op geheel Java en Madoera ingevoerd, terwijl deze regeling rond 1914 ook in de Buitengewesten tot stand was gekomen. De opbrengst voor de staat was in 1930: 27 miljoen gulden. Na 1930 kwam in Bandoeng de eerste ontwenningskliniek (anti-opiumpaviljoen).  Alleen actieve gebruikers kregen een vergunning om (beperkt) opium te kopen, terwijl nieuwe gebruikers alleen een vergunning kregen op grond van bijv. een doktersverklaring. In 1934 werden de zout- en opiumregie samengevoegd. De uitgevoerde regie lijkt wel de opiumconsumptie te hebben teruggedrongen, terwijl het voor het gouvernement bepaald geen verliespost is geweest.
  • Met de komst van de Japanners in 1942 kwam er een einde aan dit Nederlands-Indisch fenomeen.

Opleiding Indische ambtenaar

Na de VOC-periode had men ambtenaren nodig om het werk van het Gouvernement uit te voeren. Het opleidingsniveau van deze mensen was vaak niet hoog en met onvoldoende kwalificatie; alleen al door het niet bekend zijn met de talen ontstonden een aantal bedenkelijke situaties.

VOC-dienaren hadden naast hun werk vaak bijverdiensten, omdat de honorering laag was.

In 1804 stond in het Charter voor de Aziatische Bezittingen van de Bataafse Republiek (o.a. ontworpen door Dirk van Hogendorp): alle ambtenaren moesten zo bezoldigd worden dat ze 'ordentelijk' konden bestaan.

Voorlopers van de echte opleidingsinstituten waren:

  • 1818-1826 op de Militaire School in Semarang, waar Javaans werd onderwezen. Het peil van de lessen was laag
  • 1832-1843 was er het instituut in Soerakarta, waar J.F.C. Gericke (1799-1857) lessen gaf. Behalve aan Javaans werd er ook aandacht besteed aan aardrijkskunde, geschiedenis en land- en volkenkunde.

Stond er in het KB van 1825 nog, dat bepalend voor een benoeming de 'eigen opvoeding en achtergrond' was, met het KB van 1842 kwam er een officiŽle opleiding te Delft die bepaalde wie geschikt zou zijn om een benoeming tot ambtenaar te krijgen: 

  • aan de Koninklijke Academie voor de Opleiding van burgerlijke ingenieurs werd in 1842 de opleiding van Indische ambtenaren toegevoegd. De belangrijkste docent was Taco Roorda (1801-1874).

       Taco Roorda

    Deze opleiding kreeg het monopolie, wat al spoedig op weerstand stuitte, evenals het door de Koning verlenen van het Radikaal (sinds 1825); in 1848 waren deze punten aanleiding tot een speciale kwestie. Tevens werd in 1842 bepaald dat de burgerlijke ambtenaren in IndiŽ in drie klassen werden verdeeld: 

    • 1e klasse: in Delft opgeleid Ťn jurist
    • 2e klasse: in Delft opgeleid
    • 3e klasse: elders gestudeerd, of Delft niet afgemaakt.

    Na 1850 kwam de kritiek op Delft echt los:

    • te weinig afgestudeerden
    • te weinig of geen kennis van de vier talen op Java
    • geen onderwijs in nuttige vakken zoals landmeten en landbouw

    Het KB van 1859 trachtte iets te doen aan het gebrek aan ambtenaren, wat inderdaad goed bleek te werken:

    • nu mocht ook de Gouverneur-generaal ambtenaren naar de 2e klasse promoveren
    • ambtenaren met ervaring mochten 3e klasse worden
    • voor 'Delft' werd het begrip 'candidaat-ambtenaar' ingesteld aan het einde van het derde jaar; na het vierde jaar was men meteen 2e klasser en was er een financiŽle tegemoetkoming
  • 1864 was een belangrijk jaar door de Wet op het Indisch Onderwijs:
    • er kwam een nieuwe Rijksinstelling in Leiden en de leraren kregen de titel van hoogleraar. De volgende vakken werden aangeboden:
      • Indische taal- en letterkunde
      • Land- en volkenkunde van Ned.-IndiŽ
      • Geschiedenis van Ned.-IndiŽ
      • Publiek recht en het stelsel van bestuur in Ned.IndiŽ
      • Godsdienstige wetten, volksinstellingen en gebruiken in Ned.-IndiŽ
    • Het Radikaal-stelsel werd opgeheven
    • Een openbaar examen werd ingesteld, jaarlijks in Den Haag en Batavia te houden; al spoedig werd het het Groot-Ambtenaarsexamen genoemd. Voor afgestudeerde juristen was dit examen niet nodig. Voor de lagere rangen was het Klein-ambtenaarsexamen voldoende, dat in IndiŽ werd afgenomen.
    • Het jaar 1864 was tevens het einde van 'Delft'
  • Van 1864 tot 1900 had Delft een gemeentelijke instelling voor onderwijs in de taal-, land- en volkenkunde van Nederlands-IndiŽ, met als directeur J. Spanjaard

 

Jacques Spanjaard (1846-1910)

  • In 1867 startte in Batavia op het Gymnasium Willem III (vanaf 1867 Hogere Burgerschool) de Afdeling B, waar tot 1913 ambtenaren werden opgeleid.
  • In 1877 werd de opleiding in Leiden vervangen door een gemeentelijk opleidingsinstituut voor Oostindische ambtenaren dat tot 1891 functioneerde.
  • In 1877 kwam de Wet op Hoger Onderwijs die voor het eerst de mogelijkheid gaf van een universitaire studie betreffende Nederlands-IndiŽ, en wel in Leiden:
    • een juridische faculteit: onderwijs in het Mohammedaanse recht en de overige volksinstellingen en gebruiken in Nederlands-IndiŽ en koloniaal staatsrecht
    • een letteren faculteit waar onderwezen werd in taal- en letterkunde en volkenkunde van de Oostindische archipel
  • In 1893 ontstond in Magelang de eerste bestuursschool in IndiŽ voor inheemse ambtenaren, later ook in Bandoeng en Probolingo
  • In 1900 gingen deze drie samen op in OSVIA: Opleidingsscholen voor Inlandse Ambtenaren; Nederlands was de voertaal
  • In 1902 kreeg de Universiteit van Leiden er een leerstoel bij: Koloniale geschiedenis. Tevens ging de Indische ambtenarenopleiding nu naar deze Universiteit. In de periode 1911-1922 werd de opleiding van middelbaar naar hoger onderwijs getild, vooral dankzij de inspanningen van Snouck Hurgronje
  • Van 1907-1924 was er in Den Haag een hogere opleiding: de Nederlands-Indische Bestuursacademie. Jaarlijks werden 12 man met een 6 - 10 jarige diensttijd bij het Binnenlands Bestuur uitverkoren om deze studie te volgen tijdens hun Europees verlof
  • In 1914 kwam in Batavia (Weltevreden) een nieuwe bestuursschool, bestemd voor 'kandidaat-gezaghebbers' bij het BB voor plaatsing in afgelegen en dunbevolkte gebieden van de archipel. De opleiding stopte in 1932, maar het inheemse deel van de school ging door tot 1938 in de Inlandse Bestuursacademie
  • In 1925 startte de Utrechtse Indologische Faculteit onder F.C. Gerretson, als tegenhanger van de 'ethische' opleiding in Leiden. Haar bijnamen waren o.a. 'olie-, petroleum-, en suikerfaculteit', vanwege het 25-tal Indische ondernemingen, dat het kapitaal bijeen hadden gebracht.
  • In 1943 startte een provisorische opleiding van zes maanden in Melbourne (AustraliŽ), nadat in Nederland 'Leiden' en 'Utrecht' waren komen stil te liggen. Genoemde opleiding verplaatste zich in 1944 naar Brisbane: Camp Columbia.
  • In 1946 volgde een Bataviase noodordonnantie met een opleiding van twee jaar
  • In 1951 komt er een bestuursschool in Hollandia (Nieuw-Guinea) met een opleiding voor autochtone bestuursambtenaren
  • In 1954 is er een instituut met een opleiding voor de bestuurs- en administratieve dienst te Hollandia: voor ongehuwde Nederlandse mannen met een HBS- of Gymnasiumopleiding.
  • In 1952 gaat de Indologenstudie in Leiden en Utrecht plaats maken voor een niet-westerse studierichting
  • In 1956 wordt deze studie in Utrecht gestopt
  • In 1962 worden de opleidingen in Hollandia stopgezet als Nieuw-Guinea wordt overgedragen aan de Verenigde Naties
  • In 1968 wordt in Leiden een leerstoel gesticht voor de Geschiedenis van Zuidoost-AziŽ, in het bijzonder van IndonesiŽ en zijn betrekkingen tot Nederland.

Zie ook: Juristen in IndiŽ

Opperbewindhebber van de VOC is de Stadhouder van de Republiek

zie ook: Bewindhebbers

Oppervlakte:

Opzeggen Nederlands-Indonesische Unie 02-1956: IndonesiŽ zegt de Unie definitief op i.v.m. de problemen rond Nieuw-Guinea

Zie ook Conferenties, en Nederlands-Indonesische Unie.

Orang laut zigeuners van de zee; zij leven hun hele bestaan op  pinisi-schepen; hun leefomgeving is langs de kusten en eilanden van de gehele Indische archipel. Zij leven van de verkoop van vis, parels en kustproducten.

Zie ook het verhaal over de Zee-zigeuners, Bevolkingsgroepen, en Badjo's

OSVIA Opleidingsschool Voor Inlandsche Ambtenaren, opgericht 1900. Zie ook Opleiding Indisch Ambtenaar.

Oudgasten zij die naar Nederlands-IndiŽ vertrokken, maar niet voor de eerste keer (zie ook Baren), en zij die reeds langer in Nederland-IndiŽ woonden.

Oudgastenpartij  Groep van belangrijke en invloedrijke mensen in de nadagen van de VOC en de periode erna (vooral tijdens Daendels en Raffles), die zich fel keerde tegen alle veranderingen in IndiŽ, die hun invloed aldaar zou ondermijnen. Eťn van hen was  J. Siberg.
Oud-Indischgast Nederlander die als ambtenaar, militair of particulier jaren in Nederlands-IndiŽ heeft gewoond en naar het moederland terug is gekeerd, meestal gepensioneerd of rentenierend.

Outhoorn, Willem van (1635-1720)

  • Geboren op Ambon, studie in Leiden

  • In 1659 terug in IndiŽ en onderkoopman in Batavia

  • In 1669 in de Raad van IndiŽ

  • Hij werd gouverneur-generaal (1691-1704). Er was een eerste poging om een koffiecultuur op Java in te voeren. Hij voerde een zwak bewind, dat gekenmerkt werd door nepotisme. In 1699 waren er aardverschuivingen door een vulkaanuitbarsting, waardoor de loop van de Tjiliwoeng zich wijzigde en de afvoer van vervuild water stagneerde; na aanleg van visvijvers op de aangeslibde kust greep de malaria om zich heen. 

Zie ook: Gouverneurs-generaal op rij.

Overdracht Op de dag van de Japanse capitulatie werd het Amerikaanse commando over Nederlands-IndiŽ overgedragen aan het Britse South-East-Asia-Command (SEAC). Pas oktober 1945 komen de eerste  Britten en Nederlanders op Java aan. Nederlandse troepen zien we overigens pas op 9 maart 1946 verschijnen.

Overeenstemming op 22 juni 1949

Zie verder: Conferenties, stappen en gebeurtenissen in de relatie tussen Nederland en IndonesiŽ 1945-1963.

Overleg Engeland-Nederland, 27-12-1945 ; regeringsdelegaties (Schermerhorn en Attlee) spraken over de situatie op Java: Nederland klaagde over het uitblijven van een grootschalige actie op Java door de Britten, de erkenning van de Tentara Keamenan Rakjat (TKR) op Java door de Britse generaal Christison en de weigering Nederlandse troepen toe te laten. Een paar dagen later zeiden de Engelsen dat Nederland tot maart de tijd had om besprekingen met Sjahrir aan te knopen; daarna zouden de Britten uit IndonesiŽ willen vertrekken. Resultaten na het overleg om een meer werkzame verhouding te creŽren:

  • Nederland zou in IndiŽ opperbevelhebber van de zeestrijdkrachten Helfrich naar Europa terugsturen, alsmede legercommandant Van Oyen. Zij werden vervangen door respectievelijk schout-bij-nacht A.A. Pinke en generaal-majoor S.H. Spoor.
  • De Britten stuurden generaal Christison weg, die werd vervangen door luitenant-generaal Montague Stopford.

Zie ook: Conferenties, stappen en gebeurtenissen in de relatie tussen Nederland en IndonesiŽ 1945-1963.

Overstraten, Pieter Gerhardus van (1755-1801)

Gouverneur-generaal, 1797-1801. Per 31 december 1799 werd de VOC opgeheven, waardoor hij zowel de VOC als de staat der Nederlanden diende (Bataafse Republiek). 

  • 1780: promoveerde hij in de rechten te Leiden
  • 1781: buitengewoon lid Raad van Justitie
  • 1783: gewoon lid Raad van Justitie
  • 1783: advocaat-fiscaal
  • 1784: 2e secretaris van de regering
  • 1786: 1e secretaris van de regering
  • 1790: buitengewoon lid Raad van IndiŽ
  • 1791: gouverneur en directeur van Java's Noord-Oostkust, waar hij de koffie- en pepercultuur stimuleerde
  • 1796: benoemd tot Gouverneur-generaal en opgenomen in de  Commissie-generaal
  • 1797: in functie als GG, en zette hij de verdediging op tegen de te verwachten Engelse aanval; in Batavia maakte hij een start met de verhuizing van de ongezonde benedenstad (malaria) naar het hoger gelegen Weltevreden.
  • 1800: de aanval van de Engelsen op Batavia werd afgeslagen
  • 1801: de Engelse vloot bezet Ternate
  • 1801: Overstraten overlijdt

Zie ook: Gouverneurs-generaal op rij.

Terug naar de startpagina